Eik (Quercus spec.)

De Stieleik en de Traubeneik zijn twee verschillende botanische soorten in Duitsland, die vergelijkbare boom- en houteigenschappen hebben. Daarom wordt algemeen meestal van eiken en eikenhout gesproken. De eik is met een aandeel van 9% in de gehele bosoppervlakte van Duitsland, de op een na meest voorkomende loofboomsoort. Zij is een van de waardevolste houtsoorten in onze bossen. Vrijstaande eiken zijn vaak knoestige boomfiguren met een dikke en korte stam en een brede top. Dit soort bomen bereikt vaak een hoge leeftijd. Exemplaren boven de 1000 jaar zijn niet vreemd.
Groeit de eik in het bosbestand op, dan vormt zij lange stammen zonder takken, die waardevol gebruikshout leveren. Als deze bomen vanaf een leeftijd van rond de 250 jaar als fineerstammen geoogst worden, hebben zij een hoogte van maximaal 50 meter. Vanwege de hoge ruwdichtheid is de eik stevig. De eik is een hele populaire houtsoort in de meubelbouw, waar zij wordt vooral gebruikt in de vorm van haar kostbaar mesfineer. Verder levert zij uitstekend bouwhout voor zware constructies.

Stamschijf
Het spinthout van de eik is duidelijk te onderscheiden qua kleur van de kerfstok. De spint is gelig-wit tot lichtgrijs gekleurd. Het kernhout heeft een honing-gele tot lichtgrijze kleur en kleurt onder lichtinvloed na tot donkerbruin.

Schors
Beide eikensoorten hebben op leeftijd een dikke diep gegroefde schors. Vanwege zijn hoog gehalte aan looistoffen werd de eikenschors vroeger voor het looien van leer en voor medicinale doelen gebruikt.
Vruchten
De eikels, die in een kleine vruchtbeker zitten, zijn voor wilde dieren een begeerde voedingsbron. In de middeleeuwen dreef men ook de huiszwijnen in het bos, om ze met eikels te mesten. In oorlogstijden dienden gemalen eikels als koffiesurrogaat.
Bladeren
De gelapte eikenbladeren kent iedereen wel. Kijk eens in uw portemonaie! Op veel munten is eikenloof afgebeeld.
Verspreidingsgebied

Beide eikensoorten zijn verspreid over brede delen van Europa tot in Klein-Azië en de Kaukasus. De Stieleik verkiest eerder de grote Auengebieden van de Midden-Europese rivieren, terwijl de Traubeneik zich in het lagere bergland goed voelt. In Duitsland zijn vooral de Spessart, het Paltsische bos en de Göhrde in Niedersachsen beroemd om hun waardevolle eikenbestanden.