Els (Alnus spec.)

Twee boomvormig groeiende elssoorten zijn heems in Duitsland: de zwarte ( of roodels) en de witte (of grijze). Van deze twee soorten levert vooral de zwarte gebruikshout in verschillende dimensies. Elzen vindt men vaak in de buurt van stille en vloeiende wateren. Elsbestanden op moerasachtige standplaatsen worden drassige bossen genoemd. Elshout wordt de laatste jaren veel in de meubelbouw en in de interieurbouw gebruikt. Een opvallend rechte, ver in de pyramidevormige top rijkende stam is typisch voor de els, welke tot en met 35 m hoog kan worden. Niet zelden kan men ook meerstammige bomen vinden. Elzen groeien in hun jeugd wel heel snel, maar met een maximale leeftijd van 120 jaar zijn ze niet bijzonder langlevend. Elshout is zacht en hoort bij de groep van de middelzware inheemse loofhouten. Overeenkomend met de relatief lage ruwdichtheid is het hout minder vast en elastisch. Op het moment hoort het bij de populairste inheemse meubelhouten.

Stamschijf
Bij de els zijn spint- en kernhout qua kleur niet te onderscheiden. Het hout is roodachtig wit, roodachtig geel tot licht roodachtig bruin gekleurd en kleurt onder lichtinwerking na.

Schors
De benoeming zwartels heeft deze boomsoort te danken aan haar donkergekleurde in de lengte gescheurde schilferschors op oudere leeftijd.
Vruchten
In de kleine naalden zitten de kleine elszaden. Door kleine luchtpolster kunnen zij zwemmen, zodat zij ook door vloeiend water worden verspreid.
Bladeren
In het voorjaar voelen de vers uitgekomen bladeren en takken van de els kleverig aan. De bladeren verkleuren in de herfst niet, zij vallen groen van de bomen neer.
Verspreidingsgebied

De zwarte els is bijna over heel Europa verspreid. Alleen in Noord-ScandinaviŽ en Zuid-Spanje ontbreekt zij. Buiten Europa komt zij het meest in Noord-Afrika en Klein-AziŽ voor. Grotere elsbossen vindt men vooral in de Baltische staten, Polen en de UkraÔne. In Duitsland zijn er waardevolle elsbestanden in het Spreewald en in het Beiers-Alpen-voorterrein.