Kerseboom (Prunus avium)

Onder de benoeming kersenboom krijgt men in de houthandel meestal het hout van de vogelkers. Het is de meest verspreide kersensoort in Europa en de stamsoort van alle gecultiveerde zoete kersensoorten. Als bosboom bezit de kersenboom geen grote betekenis. Men vindt hem verstrooit in gemengde loofbossen, vooral in warme, zonnige gebieden. Graag groeit hij aan bosranden, waar hij in het voorjaar met zijn witte bloesems gemakkelijk te herkennen is. Vanwege zijn gewaardeerd hout wordt de kersenboom vandaag weer vaker als bosboom geplant. Verder is hij in talloze tuinen en fruitplantages gecultiveerd. Bij vrijstaande kersenbomen zien we een sterkere top en ze blijven kortstammig. Alleen in het bos worden lange, takvrije stammen gezien. Kersenbomen worden zelden hoger dan 25m en bereiken hun maximale leeftijd al rond 100 jaar. Omdat het stamhout bij oudere bomen graag kernvuil wordt, worden kersenbomen ter gebruikshoutwinning al met 70 - 90 jaar geoogst. Het kersenboomhout is middelzwaar, relatief hard en taai. Het is een van de kostbaarste interierhoutsoorten en wordt zowel als fineer en als massief ingezet. In de stijlmeubelbouw hoort de kersenboom bij de meest gebruikte houtsoorten.

Schors
De kersenboom bezit een zogenoemde krulschors, welke zich in opvallende dwarsbanden van de stam losmaakt. Bij verwonding van de stam vormt de kersenboom kleverige wondhars welke door de lucht hard wordt.

Stamschijf
Spint- en kernhout zijn bij de kersenboom duidelijk te onderscheiden. Het spint is gelig tot roodwit gekleurd, het kernhout is in verse toestand maar weinig donkerder, gelig of licht roodbruin. Het kleurt na onder lichtinvloed tot en met een roodbruine tot licht goudbruine kleur.

Vruchten
De vruchten van de wildevogelkers smaken duidelijk zuurder dan die van de gekweekte soorten.
Bladeren
De takken en de bladeren van de kersenboom kent iedereen uit de tuin of uit parklandschappen. Interessant aan de bladeren zijn de kleine nectarklieren, welke aan het bovenste eind van de bladstengels zitten. Door de nectar aangetrokken, vindt men vaak mieren op kersenbomen.
Verspreidingsgebied

Met uitzondering van het noorden en het noordoosten, is de vogelkers over heel Europa tot en met aan Klein-Azie en de Kaukasus verspreid. De gekweekte zoete kers werd eerst door de Romeinen naar Midden-Europa ingevoerd. In Duitsland is er sprake van een betekenisvollere aanwezigheid van de kersenboom in het Steigerbos, in het Bodenmeergebied en in het Göttingerbos.